Vrouwkje Tuinman: Outflanking Manoeuvres

dutch f mpoet crfopped


Vrouwkje Tuinman (b. 1974), poet, novelist and journalist, has published six collections of poetry. Lijfrente was awarded De Grote Poëzieprijs 2020 – the annual prize for the best book of poetry in the Dutch language. Currently (2023) she is preparing an album with English language texts and a music by composer-laureate Martin Fondse.

Tuinman is an influential figure in the middle generation of Dutch poets. Her voice is strong and confident, deeply personal, yet fearless.  Lijfrente maintains the reader’s attention, despite the limited, devastating nature of her theme. The elegiac tone is cut with an abrasive edge of humour and social comment. These are poems that stay in the memory. ‘Just a touch and the tears would stream from her lines, but each time Tuinman is a step ahead. And that is undoubtedly because she has an eye, despite her grief, for incongruous situations and small absurd moments. Humour and lightness as a healing force.’ (Trouw newspaper)

‘Outflanking Manoeuvres’ is the title of one of the seven poems published here in translations  by Donald Gardner and which have been taken from Vrouwkje Tuinman’s 2019 collection Lijfrente (Annuities), published by Cossee in Amsterdam. Lijfrente is an entire book of poems about the death and dying of her husband, Frank Starik, poet laureate of Amsterdam and founder of the Lonely Funerals poets’ group in Amsterdam. (An English selection was published by Arc in 2018: https://www.arcpublications.co.uk/books/f-starik-the-lonely-funeral-583)


Vrouwkje Tuinman’s translator Donald Gardner is a poet and literary translator who divides his time between Amsterdam and County Kildare. Originally a Spanish-language translator (Octavio Paz, The Sun Stone, Cosmos Books 1969), Gardner has translated many Dutch and Flemish poets over the years. He published two collections of Remco Campert’s poetry, I Dreamed in the Cities at Night (Arc Publications, 2008) and In those Days (Shoestring Press, 2015). For the latter collection he received the Netherlands’ leading award for literary translation, the Vondel Prize.  Gardner has published eight collections of his own poetry. His New and Selected Poems (1966-2020) appeared with Grey Suit Editions, London, in 2021.



Donald Gardner would like to express his gratitude to the Dutch Foundation for Literature for a grant to translate Vrouwkje Tuinman’s poems.


Vrouwkje Tuinman: Seven Poems from  Lijfrente/Annuities
translated from the Dutch by Donald Gardner



I’m really beginning to become someone, aren’t I,
you said, we always said, when you had a small triumph.
The phrase was your mother’s and it implied
that, no matter what successes came her son’s way,
the ‘become’ would probably never turn into ‘be’
let alone that that there’d ever be a past tense.
Even though the doubt lingered, hence the ‘aren’t I’.
Something could perhaps be achieved, even if that was
more something for other people. And now it’s come to this.
You’re dead and that does wonders for your CV,
and even mine. Suddenly, without any qualifications,
I’m a spokesperson and editor, more or less
a Dutch celebrity. I’m linked to your work
as ‘literary executor’. On your behalf, I am smoking
a cigarette with other successful people.
I’m really beginning to become someone, aren’t I.



Het begint nu toch wel iets met mij te worden, zei jij,
zeiden wij altijd, bij klein succes.
De uitspraak kwam van je moeder en duidde erop
dat, wat haar zoon ook aan voorspoed toeviel,
het van ‘worden’ waarschijnlijk nooit tot zijn
zou komen, laat staan tot verleden tijd.
Al bleef de twijfel, vandaar het ‘toch’.
Er kon, al was het meer iets voor andere mensen,
wellicht iets worden bereikt. En nu is het zover.
Jij bent dood en dat doet wonderen voor je cv,
voor dat van mij. Zonder enig diploma
ben ik ineens bezorger, woordvoerder, min of meer
bekende Nederlander, ik sta als ‘medewerker’
aan jouw werk vermeld rook namens jou
een sigaret met andere geslaagden.
Het begint nu toch wel iets te worden met mij.



A man is wheeled off and is looked at from inside.
What comes back is a box with a pair of glasses, a single sock,
the other has vanished. ‘We don’t know where it ended up.’

A man lies in a bed that keeps him cool from underneath
and on top displays everything: tubes, leads, a body in
two parts, lights attached everywhere. His eyes gaze nowhere.

A man shakes sheets back and forth, tugs with his shoulders
and legs. I only see it a moment, then he’s put
to sleep, and I see it all night long while he’s still out.

There is a man who blinks to say he understands us, who puts on
wide eyes for everything that surprises him, and that is everything.
For instance, that he can’t speak. He pulls out the tubes that get in his way.

My husband complains about the jukebox that keeps him alive. That squeaks
and puffs when he states that he’s going home. To the railway station.
Doesn’t matter which. All he needs to do is stand up.

There’s a woman who phones that I must come now because the man
is being held down. I count four nurses who squeeze his entire body and half
heart into the bed. Two belts and two blue mitts.

‘Hi sweetie!’ My husband has no idea I was here before. That he’s
been here longer, what I’m talking about. He’s hungry for things he doesn’t
really like. He daubs his face with custard, sips on cup-a-soup and toasts me

in pink lemonade, wants a second glass, is it true he saw me
before? That he’s been here longer. He’s a man who’s better off at home.
He whispers, that he’s lying next to someone who’s dying.

This is not a place to stay in long. There’s a man who is bothered by
visitors, who laughs at visitors, who forgets he’s had visitors an hour ago.
Luckily, it’s very jolly here with all these women. ‘Will you marry me?’

There’s a man lying here who zaps from Sky TV to Sky TV and then to Sky,
because, he says, the other channels don’t work. On the screen
someone lands with his balls caught on a high bar. He laughs and grabs his scrotum,

the tube that traps his genitals, he tugs, the thing goes deeper than he thought.
A man pisses in the basin; an alarm goes off; the man is punished.
‘Hi sweetie!’ he shouts at me, I’m here too, this time we’re here together.

There’s a man lying there waiting for what’s coming. He potters the whole week.
Here he tore, there he shook, he learned to sit, drink, write,
to remember that he’s always forgetting. He’s still missing that one sock.



Een man wordt weggereden en vanbinnen bekeken.
Wat terugkomt: een bakje met een bril erin, één sok,
de ander is verdwenen. ‘Wij weten ook niet waar hij is gebleven.’

Een man ligt in een bed dat hem vanonder koel houdt
en vanboven alles toont: de slangen, lijnen, een lichaam in tweeën, lichtjes overal aan vast. Zijn ogen kijken nergens naar.

Een man schudt lakens heen en weer, trekt met zijn schouders
en zijn benen. Ik zie het maar heel even, dan wordt hij weg
gemaakt, en zie ik het de hele nacht terwijl hij slaapt.

Er is een man die knippert dat hij ons verstaat, die grote ogen
opzet bij alles wat verbaast, en dat is alles, bijvoorbeeld dat hij
niets kan zeggen. Hij trekt de buizen uit die hem beperken.

Mijn man klaagt over de jukebox die hem in leven houdt. Die piept
en blaast als hij meldt dat hij naar huis toe gaat. Naar het station.
Maakt niet uit welk. Hij hoeft alleen maar op te staan.

Er is een vrouw die belt dat ik nu moet komen omdat de man
omlaag gehouden wordt. Ik tel vier verplegers die zijn hele lijf en halve
hart het bed in drukken. Twee banden en twee blauwe wanten.

‘Hé lief!’ Mijn man heeft geen idee dat ik hier eerder was. Dat hij
hier al langer is, waar ik het over heb. Hij heeft zin in dingen die hij eigenlijk
niet lust. Hij verft zijn gezicht met vlaflip, zuigt cup-a-soup en proost

met roze prik, wil nog een glas, is het waar dat hij mij al eerder
zag? Dat hij hier al langer was? Hij is een man die beter thuis kan zijn.
Hij ligt, fluistert hij, naast iemand die aan het sterven is.

Dat is geen goede plek om lang te blijven. Er is een man die last heeft
van bezoek, die lacht om het bezoek, die het bezoek een uur erna weer kwijt is.
Gelukkig is het heel gezellig hier, met al die vrouwen. ‘Wilt u met mij trouwen?’

Er ligt een man die zapt van SBS6 naar SBS6 en dan naar SBS6,
omdat de rest volgens hem niet werkt. Op het scherm belandt
iemand met zijn ballen in een rekstok. Hij lacht, grijpt naar zijn zak,

de slang die zijn geslacht beknelt, hij trekt, het ding zit dieper dan hij dacht.
Een man plast in de wasbak, een alarm gaat af, de man krijgt straf.
‘Hé lief!’ roept hij naar mij, ik ben er ook, we zijn er dit keer allebei.

Er ligt een man te wachten op wat komt. Hij scharrelt door de afgelopen week.
Hier scheurde hij, daar schudde hij, hij leerde zitten, drinken, schrijven,
onthouden dat hij steeds vergeet. Hij is nog altijd één sok kwijt.



Everything is made ready for the husband’s arrival.
The washbasin gleams; a vase of flowers on the table.
The pillows on the clean sheets are airy and
puffed up – you could go and lie there and
not be noticed. The husband sees none of these things; he wants
a drink and a ciggy. He doesn’t want tea,
and no, no soup, no puddings, no TV.
He does want TV, because doesn’t want to talk to us.
Two cats squeeze up against his feet,
he bats them away, sniffs the air greedily,
sucks in imaginary smoke spirals.
He thinks up reasons for us to leave;
we water the plants one more time.



Alles is ingericht op de komst van de man.
De wastafel blinkt, er staan bloemen op tafel,
de kussens van het schone bed zijn licht
en luchtig – je zou ongemerkt kunnen gaan
liggen. De man ziet al die dingen niet, hij wil
een borrel en een sigaret. Hij wil geen thee,
en nee, geen soep, geen toetjes, geen tv.
Hij wil toch tv, want niet met ons spreken.
Twee katten verdringen zich aan zijn voeten,
hij wappert ze weg, snuift gretig aan de lucht,
zuigt denkbeeldige kringels naar zich toe.
Hij verzint redenen waarom wij moeten gaan,
we geven nog maar eens de planten water.



What is that stench, you asked, when you were not yet quite dead
woke up and smelt what I had
sprayed you with so you recognized yourself. That’s CK Be,
I said. It stinks, you said. Did I always stink like this?
A new smell arrived, one for the independent man
who answers only to himself, someone who lives
his new life scoffing at prejudices. You used it a few times
before you passed away, scoffing at prejudices.
In the coffin I sprayed the old scent, the one with the idea of
‘being yourself’. Original. And something about sharing.
I even stank myself, so I thought, and seized the new blue bottle,
that might make me woody and fresh.
During the service I emanated perfection and self-assurance.
The power of an aromatic accord suited me perfectly, maybe
even better than it did you. I took it home with me. A second life.
The next day I washed the clothes which were stained from now on.
I said, to nobody in particular, but actually to you:
you’d do better to buy a wedding dress for an occasion like this.
You also only wear it once and at least you have a train.
The ode to male freedom stood in the cupboard for a while
until, perfect and pure, it dropped on the floor, etched away the tiles
in a distinctive composition and flushed away in the joints.



Wat is die stank, vroeg je, toen je nog net niet dood was
wakker geworden en rook waarmee ik je
bespoten had zodat je jezelf herkende. Dat is CK be,
zei ik. Die stinkt, zei jij. Stonk ik al die tijd al zo?
Er kwam een nieuwe lucht, eentje voor de avontuurlijke man.
Een nonconformistische geest, iemand die zijn tweede leven
radicaal en zelfbewust leeft. Je droeg hem een paar keer
tot je radicaal en zelfbewust overleed.
In je kist spoot ik de oude geur, die met het idee van
‘wees jezelf’. Origineel. En iets met samen delen.
Zelf stonk ik ook, vond ik en pakte de nieuwe blauwe fles,
die mij houtachtig en fris kon maken.
Tijdens de dienst straalde ik volkomenheid en zelfvertrouwen uit.
De majestueuze geurnoot stond me wel, misschien
beter nog dan jou. Ik nam hem mee. Een tweede leven.
De volgende dag waste ik de kleren die vanaf nu besmet waren.
Ik zei, tegen niemand in het bijzonder, maar eigenlijk tegen jou:
je kunt voor zo’n gelegenheid beter een trouwjurk kopen.
Die draag je ook maar een keer en dan heb je tenminste een sleep.
De lofzang op de mannelijke vrijheid stond een tijdje in de kast
tot hij volmaakt en zuiver op de vloer viel, in een uitgesproken
compositie de tegels uitbeet, gul in de voegen verdween.


SELL-BY DATE: 20-06-2008

When you became ill you suddenly got a taste for all kinds of things.
When you died the house was full of broken-open packets you’d eagerly
grazed in, three at once, till one won and could go with you to the sofa.
I sealed the others with Sellotape.
Now I had boxes full of things I never eat.
Melba toast from New Year’s Eve, those thin biscuits, Japanese nuts, nougat,
pre-baked rolls, soup you only need add water to.
Every week everything tasted a little more like everything else, till I checked the dates.
Now I still only have the honey, that’s next to the pot of another dead.
If they can do it in pyramids, I can do it in my kitchen cupboard.



Toen je ziek werd lustte je opeens van alles.
Toen je dood was stond het huis vol aangebroken pakken, waar je gretig
uit had staan te grazen, drie tegelijk, totdat er een de wedstrijd won en
mee mocht naar de bank.
De rest, daar deed ik plakband op.
Nu bezat ik dozen vol dingen die ik zelf nooit eet.
De Melbatoastjes van oudjaar, de dunne koekjes, Japanse noten, noga,
afbakbroodjes, soep waar alleen nog water bij moet.
Elke week smaakte alles net iets meer naar al het andere, tot ik naar de data keek.
Nu heb ik alleen de honing nog, die staat naast de pot van een andere dode.
Als het in piramides kan, dan ook in mijn keukenkast.



You’ve got good taste, a certain Shandee Ruan writes
and laughs digitally. It’s 22 March and now
you’ve only one day left to pay.

Shandee mentions your password. It’s easy,
he says. He installed a programme and after that
he could see what you were up to.

Guess what, he tells you. You downloaded a website
to have a good time. You know what he means.
You had a good time, and that will now cost you 900 euros.

According to Shandee you have thirteen contacts.
Family members and colleagues, who if you ask for proof,
or don’t pay up, will get to see everything.

What does Shandee – his name promises love,
a new start, attracts money – have over me?
Why does he see you seated there, a year after your death,

and not me. Answer Yes!, he insists,
and no, that is non-negotiable.
So where’s the video? It’s 25 March already.



Je hebt goede smaak, schrijft ene Shandee Ruan,
en hij lacht digitaal. Het is 22 maart en je hebt
vanaf dan nog een dag om te betalen.

Shandee noemt je wachtwoord. Het is simpel,
zegt hij. Hij installeerde een programma en
zag vanaf toen alles wat jij hebt gedaan.

Guess what, meldt hij. Je bezocht een website
om het leuk te hebben, je weet wel wat hij bedoelt.
Je had het leuk, en dat kost je nu 900 euro.

Volgens Shandee heb jij dertien contacten.
Familie, collega’s die alles te zien krijgen
als jij om bewijs vraagt, of niet betaalt.

Wat heeft Shandee – zijn naam brengt liefde,
een nieuw begin, trekt geld aan – voor op mij?
Waarom ziet hij jou zitten, ruim een jaar na je dood,

en ik niet? Antwoord met Yes!, eist hij,
en nee, dat is niet onderhandelbaar.
Waar blijft de video? Het is al 25 maart.



It is greener on the other side.
In one field are the people who have lost
their will to. A garden further on those who still
have years to go, but for their illness –
no chance of changing places. One special spot is for those
who have lived past their time and know it: the grass is cut
there till it withers, only not on the lawn,
where it grows back. Always on the same side, the one that’s too green.
I’m standing on the edge of something that’s actually more moss
than grass. My plot is full of old potholes and last year’s leaves, but
moles and worms dwell there too, toads are leaping,
and in the evening dragonflies alight. I take a step.


Aan de andere zijde is het groener.
Op het ene veld staan de mensen die niet
meer willen, een tuin verderop degenen die nog jaren
vooruit kunnen, ware het niet dat hun ziekte –
er valt niets te ruilen. Een speciaal vak is er voor wie over
datum is en dat weet: daar toppen ze de sprietjes
tot de uitputting erop volgt, alleen niet bij het gazon,
dat groeit terug, altijd aan diezelfde te groene kant.
Ik sta aan de rand van wat eigenlijk meer mos is
dan gras. Mijn perk zit vol kuilen en oud blad, maar
ook wonen er mollen in en wormen, er springen padden,
’s avonds landen er libelles. Ik neem een stap.

Back to the top

2 thoughts on “Vrouwkje Tuinman: Outflanking Manoeuvres

  1. These are terrific. Thank you for translating them so well, capturing their dry mood, and thank you for writing them.


Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s